Dominee Otto Ruff,
voormalig lid van de bezwarencommissie

“Als lid van de bezwarencommissie heb ik met veel verschillende kanten van het Hulpfonds te maken gehad. Mijn grootste probleem met het Hulpfonds was dat men naar mijn mening uitging van het beeld van de duizenden illegalen die af waren gekomen op de oproep dat als zij konden aantonen dat ze slachtoffer waren van de ramp, gelegaliseerd konden worden. Door een dergelijk beeld worden bij voorbaat alle personen gewantrouwd en is de neiging af te wijzen sterker dan om toe te wijzen. Door ervan uit te gaan dat mensen misbruik maken, is het gevaar veel te groot dat je de mensen die wèl in aanmerking komen buiten spel zet. De hele strikte regels hebben dat in de hand gewerkt.

Image

Dominee Otto Ruff

Regels zijn nodig, maar niet alles valt volgens de regels af te handelen. Ze mogen niet bepalend zijn, want er zijn altijd uitzonderingen. Zo moest men zich binnen precies twee maanden inschrijven. Gebeurde dit niet, dan moesten er harde bewijzen op tafel komen. Als slachtoffer moest je als het ware je onschuld bewijzen, want je was al bij voorbaat schuldig. Dat vind ik het omkeren van de schuldvraag en - in het geval van getraumatiseerde slachtoffers - psychologisch gezien verkeerd. Begrijp me goed, het Hulpfonds was op zich een geweldig initiatief, maar men moet wel weten hoe je met deze mensen omgaat. Je mag hun psychische achtergrond niet vergeten. De Bijlmerslachtoffers zijn na de ramp zes jaar verstoken van waardering. Ze werden geconfronteerd met hele nieuwe angsten en gevoelens en raakten vaak geïsoleerd. Ze hebben moeten voortmodderen, totdat de parlementaire enquête plaatsvond om de onderste steen boven te halen. Dus toen er zoiets als een Hulpfonds in het leven werd geroepen, verwacht je een andere aanpak.

Ik zie dat mensen in staat zijn om, ondanks hun grote verdriet, sterker uit de strijd te komen

Ook als geestelijk hulpverlener ben ik nauw betrokken bij de opvang en begeleiding van deze mensen. Het feit dat ik dominee ben en vanuit de christelijke religie werk maakt eigenlijk geen verschil. Ik ben bovenal een ‘geestelijke’ verzorger. Ieder mens die zware beproevingen heeft moeten doorstaan, worstelt met vragen als ‘Waar heb ik dit aan verdiend?’, ‘Hoe moet ik dit een plaats geven in mijn leven?’. Binnen het Christelijke geloof gaan we ervan uit dat een mens nu eenmaal nooit buiten lijden en sterven om kan leven. De dood houdt met niemand rekening. De dood ondergaat iedereen en wordt binnen het geloof als een overgang naar het leven beschouwt. Zelfs Jezus Christus had al moeite om te sterven, laat staan wij. ‘Vader, laat deze beker aan mij voorbij gaan,’ vraagt hij. ‘Maar,’ voegt hij daar dan aan toe, ‘niet mijn wil, maar uw wil geschiedde. Ik ga door.’ En juist daarin blijkt de liefde voor het leven. Tegen de dood valt niet te vechten, maar voor het leven wel! En het enige in dit leven dat zich niet door de dood laat tegenhouden is de liefde. Als iemand waar je van houdt sterft, dan belet de dood niet dat je diegene nog steeds liefhebt. Dat je in die liefde die persoon mist en in die liefde nog met hem of haar spreekt. De liefde is een kracht die je laat voortgaan en die de geest voedt, waardoor je weer geestkracht kan ontwikkelen. Ik heb de nabestaanden altijd thuis bezocht, in hun vertrouwde omgeving. Ik had geen pasklare antwoorden, maar door naar hen te luisteren en met hen te praten, ontstond er een vertrouwensband. Met twee van hen heb ik ook de Stichting NaBij (Nabestaanden Bijlmerramp, rc) opgericht, waar slachtoffers steun bij elkaar kunnen vinden. Uiteindelijk begeleid ik ze in hun proces om stapje voor stapje weer deel te nemen aan de maatschappij. Ik zie dat mensen echt in staat zijn om, ondanks hun grote verdriet, sterker uit de strijd te komen. Dat geeft mij enorme voldoening. Ik ben ook zeer trots op ze, omdat ze zèlf hebben gekozen om weer verantwoordelijkheid te nemen en om in liefde voor het leven te kiezen.”