Marlène Truideman (Surinaamse),
ex-bewoonster van Groeneveen

“Die hele week daarna hebben we, tegen beter weten in, gehoopt en gebeden dat we onze kinderen nog terug zouden vinden. We verbleven bij mijn moeder en mijn man is alleen maar in de buurt van het opvangcentrum gebleven. Na acht dagen werden we gebeld dat ze Guillermo en Graciëlla waarschijnlijk gevonden hadden, maar ze zouden ons nog terugbellen. Die uren daarna waren een lijdensweg. Diep in m’n hart wist ik dat het niet waar kon zijn, maar je wilt het zo graag geloven. Pas veel later werd er aangebeld. Twee mannen kwamen binnen, maar ik zag geen kinderen. ‘Duizend maal excuses’, hoorde ik één van hen zeggen. ‘We hadden u zo graag goed nieuws gebracht, maar er is een grote fout gemaakt. We hebben uw kinderen wel gevonden, maar ze hebben het niet gered…’ Het onvoorstelbare was bevestigd, het laatste sprankje hoop vergeven. Mijn wereld stortte volledig in. Mijn leven was veranderd in een hel.

Image

Marlène Truideman

Het eerste jaar leefde ik als een zombie. Als de zon scheen, bleef ik in bed; alleen wanneer het regende voelde ik me beter. Vrolijkheid en kinderen kon ik niet verdragen. Hulpverleners al helemaal niet. Niks drong tot me door. Op advies van onze psychiater hebben mijn man en ik toen wat reisjes gemaakt. Nooit echt ver en ook niet lang. Meer bedoeld om letterlijk afstand te nemen, om op plekken te zijn die ons niet aan ons verdriet herinnerden.

Steeds als ik in een dip zit, dan sluit ik m'n ogen en hoor ik weer stemmen. Dat geeft me kracht

Mijn kinderen waren alles voor me. We hadden samen altijd veel plezier, maar ze waren ook heel wijs. Als ik na een zware dag – ik werkte in de verpleging - wel eens aangeslagen thuis kwam, beurden ze me weer op. ‘Kom op, Mam’, zeiden ze dan. ‘Je bent een sterke vrouw! Lach toch weer, want morgen is er weer een dag!’. Steeds als ik in een dip zit, dan sluit ik m’n ogen en hoor ik weer hun stemmen….dat geeft me kracht. Ook van mijn familie en vooral van mijn moeder ontvang ik heel veel steun. Na verloop van tijd kreeg ik desondanks meer behoefte aan professionele hulp, maar die was toen niet meer te krijgen. Gelukkig had ik wel contact met dominee Ruff. Aan hem heb ik erg veel gehad. Samen met hem en een andere vrouw, die ook haar zoon is verloren, heb ik toen de stichting NaBij (Nabestaanden Bijlmerramp, rc) opgericht. Deze stichting heeft als doel om steun bij elkaar te vinden en is er niet alleen voor slachtoffers van de Bijlmerramp, maar voor iedereen die met verdriet en verlies te kampen heeft. Twee keer per jaar organiseren we ook een uitstapje. Tijdens ons eerste uitstapje heb ik voor het eerst na twee jaar weer echt gelachen! Heerlijk was dat. Het initiatief van het Hulpfonds kwam pas later. De gesprekken met hen verliepen prettig. Men luisterden echt en nam ons serieus. Ik begrijp alleen niet dat we onze reisjes niet allemaal vergoed hebben gekregen. Ondanks dat we op veel andere gebieden wel een eind op weg zijn geholpen, viel die uitkering tegen. Toch wil ik niet alleen maar bezig zijn met wat me is overkomen. Ik moet ook verder. Het feit dat ik in leven ben gebleven, daar moet een reden voor zijn. Daar geloof ik heel sterk in. Nu weet ik ook dat mijn kinderen moesten gaan, dat het hun tijd was. Dat besef je pas vele fases later, want in het begin is er alleen maar wanhoop, woede en een verterend verdriet. Ik kan nu zeggen dat ik het accepteer. Mijn doel is nu om anderen te helpen. Mijn bitterheid en boosheid zijn weg. Mijn verdriet blijft, maar het heeft een plaats in mijn leven gekregen. Ik merk dat ik weer kan genieten; van de zon op m’n huid, van de geur van een bloem, van de meest kleine dingen. We hebben nu zelfs weer een pleegkind in de weekeinden. Ik bekijk het leven van een andere kant. Vroeger maakte ik zoveel plannen, maar ik weet nu dat elke dag iets anders met zich mee brengt, dat je niks vast kan houden en dat onze enige zekerheid is dat niks zeker is.”