Evert-Jan Wallenburg, ziekenwagenchauffeur

“Omdat er relatief weinig gewonden waren, hebben wij niemand vervoerd. Ik ben lange tijd ter plaatse gebleven om te helpen. Nu weet ik zeker dat ik daarom ziek ben geworden, maar ik voel me een roepende in de woestijn.
Er zijn een heleboel theorieën over de Bijlmerramp. Één daarvan is dat het vliegtuig makkelijk op het IJsselmeer had kunnen landen, maar dat had volgens zeggen een milieuramp veroorzaakt. Met andere woorden: ik denk, en niet alleen ik, dat er dingen in het vliegtuig hebben gezeten die daar helemaal niet in hadden mogen zitten. Zaken als radioactieve stoffen of ander chemische rotzooi om wapens mee te maken. Want waarom ben ik anders ziek geworden? Voor 1992 had ik af en toe eens griep en dat was dat. Zestien maanden na de ramp is er een tumor uit mijn nek verwijderd en die was uitermate kwaadaardig. Vanaf dat moment is het alleen maar slechter met me gegaan. Er is een vorm van lymfklierkanker geconstateerd. Daarnaast functioneren mijn lever, milt en maag nauwelijks meer. Ook mijn longfunctie is nog maar 40 %. Kortom: mijn fysieke toestand is zo slecht, dat ik na 21 jaar mijn vak heb moeten opgeven. Ik heb daar vier uur op een afstand van nog geen tien meter, benedenwinds - dus vóór de rook – gestaan. Los van de mogelijke vracht van het vliegtuig, heb ik sowieso dampen van verbrand kerosine, aluminium, uranium, asbest en allerlei kunststoffen uit de flats ingeademd. De aanwezigheid van al die stoffen is aangetoond en zelfs een toxicoloog wist mij te vertellen dat ik daarom blij mocht zijn dat ik überhaupt nog leef. Hij mag het alleen niet bevestigen, want dat zal hem duur komen te staan. Je gelooft het niet, maar toch is het waar. Ook een aantal collega’s van me zijn ziek geworden. Zij hebben weer andere ziekten van het immuunsysteem. Wel hebben we allemaal ademhalingsproblemen, maag-. darm-, spier- en gewrichtsklachten. Dat is ook ons probleem. Je ziet bij ons niets aan de buitenkant, zoals brandwonden of ander letsel. Wel zijn we ziek, maar we voelen ons niet serieus genomen.

Image

Evert-Jan Wallenburg

Daarom ben ik ook voorzitter van de VBB (Vereniging Betrokkenen Bijlmerramp, rc) geworden. Deze zet zich in voor de hulpverleners die niet door de regering erkend zijn als getroffen groep. Zoals de vrijwilige brandweer die daar 14 dagen na het ongeluk de troep hebben opgeruimd, de slopers die de flats hebben afgebroken. Maar ook de kraanmachinist, die een week boven de flats heeft gehangen en nu thuis aan het zuurstofapparaat zit. We zijn al jaren aan het corresponderen met Kok en Borst en we worden van het kastje naar de muur gestuurd. Toen kwam van Gijzel met het Hulpfonds. Dit was bedoeld om tegemoet te komen aan de gemaakte kosten van de slachtoffers, zodat ze letterlijk hun leven weer op de rails konden krijgen. Een prachtig initiatief! Het enige probleem was dat ik niet meer dan het basisbedrag van 4000 gulden heb gekregen. Ik kon volgens hen niet voldoende aantonen dat mijn gemaakte medische kosten – die ook al niet door het Ziekenfonds werden vergoed -in verband stonden met mijn gezondheid. Ze werkten met zulke strakke regels, dat er niet meer gekeken werd naar persoonlijke omstandigheden. Ik voelde me totaal niet geholpen. Ondanks het feit dat ik daarin ben teleurgesteld, ben ik niet boos op hen. Ze erkenden ons als slachtoffer en hadden goede bedoelingen. Nee, mijn boosheid voel ik naar de Nederlandse regering. Zij hebben ons laten vallen. Het feit dat ik ziek geworden ben, verwijt ik niemand. Niemand kan het ook veranderen. Waar ik wel heel verdrietig en boos van wordt, is dat ik me niet gesteund voel.

Mijn gezondheid ben ik kwijt en daarom is voor mij de enige genoegdoening een financiële tegemoetkoming

Ik ben slachtoffer, maar weiger in die rol te gaan zitten wegkwijnen. Daarom heb ik ook niet voor de WAO gekozen en heb mijn eigen dierenwinkel geopend. Acht jaar na de ramp, op 4 oktober 2000 om precies 4 minuten na half zeven, op dezelfde tijd dat de ramp plaatsvond. Dit heb ik gedaan ten teken dat ik het verleden zo graag wilde afsluiten en met iets nieuws wilde beginnen. Maar ook zo’n winkel kost natuurlijk geld en met mijn medische verhaal was er geen bank die mijn een lening wilde geven. Op mijn verzoek aan de overheid of zij dan in ieder geval voor mij garant wilde staan, kreeg ik ook negatief bericht. ‘Helaas meneer Wallenburg, daar kunnen wij niet aan beginnen,’ was hun antwoord. Maar hoe moest ik dan weer beginnen? Mijn gezondheid krijg ik nooit meer terug en daarom is voor mij de enige genoegdoening een financiële tegemoetkoming. Aan hoeveel ik denk? Met anderhalve ton kan ik mijn schulden en gemaakte kosten betalen en kan ik weer verder met mijn leven. Of dat nog lang duurt weet ik niet, maar al was het alleen al voor mijn vrouw en kinderen. Zij hebben hier ook genoeg onder te lijden gehad.’