Willem Jan Otten

Willem Jan Otten 'Dat bedoel ik dus, zegt Schepper. Op een ding van mij krijg je iets te zien wat je niet ziet. Je kijkt je suf, want alles is er.’ Dat zegt de portretschilder in de nieuwe roman van dichter en schrokver Willem Jan Otten, ‘Specht en zoon’, een boek waarin het thema ‘geloof’ centraal staat. Otten is man die zocht, vond, en zijn inzichten deelt.
Alom geprezen, maar zonder een spoor van pretentie. “Geloven is eigenlijk niks voor mij, maar het dwingt me te blijven kijken omdat ik bang ben dat er niks is.”

Waar geloof je in?
Het meest logische antwoord op deze vraag zou het geven van mijn katholieke geloofsbelijdenis zijn: het Credo. Het zou niet afdoende zijn, aangezien ik vooral geloof in het fenomeen geloven. Ik ben niet katholiek opgevoed, maar kom uit een humanistisch, liberaal en bohémien nest. Ik heb lang gezocht en heb me vijf jaar geleden laten dopen. Die stap heb ik gezet omdat ik voelde dat als ik het niet zou doen, ik ook niet verder zou komen. Dan was ik voor altijd in het ‘iets-isme’ blijven hangen. Het was alsof ik vanaf de hoge duikplank ben gesprongen. Daar was overgave voor nodig.

Een opmerkelijke daad in een tijd waarin de kerken juist leeglopen. Hoe is deze interesse voor het katholicisme bij jou ontstaan?
Tja, op allerlei mogelijke manieren. Maar ik denk dat dit toch in mijn jeugd al is aangewakkerd. Mijn ouders waren beiden gespecialiseerd in oude, middeleeuwse muziek. Dit was met name ook kerkelijke muziek. Daar werden we thuis voortdurend van doordrongen. Mijn vader vader speelde destijds ook met de Matthaeus Passie mee. Ze hadden dan misschien geen geloof, maar ze waren er door hun werk toch mee verbonden. Bij ons was er dus eerder sprake van ‘cultuur christendom’. Ik was een jaar of tien toen ik met mijn  stiefvader voor het eerst naar een katholieke kerk ging. Ik voelde al duidelijk dat daar iets bijzonders aan de hand was. Iets wat ik niet direct kon duiden. Dus als mijn interesse ooit ergens is ontstaan, dan was dit tijdens de mis. Wanneer mijn stiefvader ter communie ging moest ik van mijn moeder blijven zitten. ‘Het is hier heerlijk’, zei zij dan. ‘Een goede plek om te zijn, maar de communie is niet voor ons.’ Dat was dus iets waar je niet aan mee kon doen als je niet voluit ‘ja’ had gezegd tegen het katholieke geloof. Later besefte ik dat juist hierin de kern van het geloof zat. Want bij het ter communie gaan ervoer ik het gevoel van heiligheid. Dat heb ik in geen enkele andere kerk ervaren. Daar ben ik kennelijk gevoelig voor. Het is moeilijk uit te leggen. Ik weet alleen wanneer ik het ervaar. Zoals bij de geboorten van mijn twee zoons. Maar ook in de aanwezigheid van een gestorvene. Het zijn ervaringen die op zichzelf staan en die met niets anders te vergelijken zijn.

Ik geloof vooral in het fenomeen geloven. Bij het ter communie gaan ervaar ik het gevoel van heiligheid

Hoe ervaar je God?
Ik heb geen godsbeeld. Op iedere afbeelding, zelfs in de meest hoogstaande kunst is het Hem niet. Bij ieder voorstelling die ik van Hem maak – als ik dat al doe – is het Hem ook niet. Hij bestaat voor mij bij de gratie van Christus. Hij heeft Gods’ wil gedaan. Wat ik van God begrijp en vooral geloof - want daar gaat het om - is aan de hand van het Paasmysterie. Bij ‘onze Vader die in de hemel zijt’ ervaar ik de kracht achter alles. Bij ‘Uw koninkrijk kome’ geloof ik dat we eens allemaal op onze plaats zullen zijn. ‘Uw wil geschiede’ waren de woorden van Christus zelf die voor mij de sluis vormen waardoorheen God, de zee van de Liefde, is doorgesluisd naar het laagland. Naar ons. Door deze ene zin in het Onze Vader kan ik in God geloven. Als die zin er niet was dan zou ik de natuur zijn gaan geloven.

Maar wat wil jij?
Ik wil van alles! Alles wat God verboden heeft! Alleen probeer ik uit alle macht God’s wil te willen en alles wat dat niet is, niet te willen. Daardoor doe ik dingen die ik graag wil en tegelijkertijd doe ik dingen die ik niet wil, maar wat gewild wordt. Dit klinkt wellicht theologisch, maar daar heb ik niet zoveel mee. Ik probeer het juist te simplificeren door er een ervaring van te maken. Wat God’s wil nu echt is kan ik niet precies zeggen, maar door je in het Paasverhaal te verdiepen krijg je er wel een notie van.

Waaruit blijkt dat in jouw leven?
Ik ben een biddend mens geworden. De zin ‘uw wil geschiede’ is op zich al een gebed. Daarin maak ik kenbaar geholpen te willen worden in te doen wat Hij wil. Daarin richt ik me tot God. Mijn geloof is daarnaast de rode draad in mijn literaire werk geworden.

Geloof is de rodedraad in je literaire werk geworden, iets wat door sommige critici niet altijd gewaardeerd wordt....
Inderdaad. In het huidige culturele klimaat is het kunstwerk autonoom en breek je de regels als je er iets anders boven stelt. Hier geldt dat boven de Kunst niks gesteld mag worden, want er wordt van uitgegaan dat ‘wij kunstenaars’ het állemaal uit onszelf halen..... Er zijn tegenwoordig weinig kunstenaars die zich gebonden voelen aan een geloof en een religieus wereldbeeld proberen te ontwikkelen in hun werk. In het door mij geschreven toneelstuk Braambos – dat scharniert om een biddende man - stel ik volgens bepaalde critici iets boven het stuk, dat belangrijker is dan het stuk en ikzelf. Dat is kennelijk niet de bedoeling. Het roept weerzin op.

Het centrale thema hierin is vergeven. Hoe belangrijk is dat voor jou?
Een beetje vergeven is geen kunst. Maar iemand vergeven die jou werkelijk iets heeft aangedaan is raadselachtig, onmenselijk en daarom goddelijk en heilig. Zoals Christus werd verraden door zijn meest trouwe discipelen en hij ze toch vergaf. Het Christendom draait daarom. Werkelijk vergeven is het meest grootse wat een mens maar kan doen. Dat is de kracht van de Liefde. Die kracht is ons gegeven.

De roman Specht en zoon wordt uitgegeven bij van Oorschot.
ISBN 9028209999. Prijs €15,-.