Lévi Weemoedt

De pseudoniem Lévi Weemoedt (59) werd geboren toen de auteur ruim dertig jaar geleden zijn eerste gedichtenbundel ‘Geduldig lijden’ uitgaf.  Weemoedt’s toegankelijke manier van schrijven maakte poëzie voor het eerst geliefd bij een groter publiek. Naast de veelal droevige ondertoon verraden zijn gedichten de nodige zelfspot en gevoel voor humor. “Ik zie het verleden met optimisme tegemoet.”

Waar geloof je in?
“Als ik ergens in geloof dan is het in zelfrelativering. Er wordt wel gezegd dat engelen kunnen vliegen omdat ze zichzelf zo licht nemen. Daar streef ik dus naar. Ik neem mezelf daarom niet buitensporig serieus. Dat komt in mijn werk ook duidelijk naar voren. Wanneer je jezelf te zwaar neemt in dit toch al zware leven dan wordt het leven alleen maar zwaarder. Dan kom je haast niet meer vooruit. Ik ben daarom  zo min mogelijk met mezelf bezig. Met termen als zelfontplooiing of zelfontwikkeling heb ik dan ook helemaal niets. Volgens mij ontbreekt het mij aan een zelf. Ik verplaats me liever in anderen. Misschien ben ik daarom wel gaan schrijven. Dan val ik helemaal weg. Hoewel ik vaak in de ik-persoon schrijf gaat het toch meestal over anderen. Maar als er iets verdrietigs of vreugdevols in mijn leven plaatsvindt dan ervaar ik dat ik natuurlijk best wel een zelf heb. Om emoties kan mijn zelf nu eenmaal niet heen.”

Vandaar de naam Weemoedt?
“Hij kwam zomaar in me op toen ik mijn eerste dichtbundel uitbracht. Ach, ik heb wel iets met weemoed en zeker in de derde persoon. Het leek me gewoon een mooie naam die ik wel bij mijn werk vond passen. Ik wilde liever niet herkend worden – vond poëzie iets voor meisjes - en schaamde me bijna voor mijn gedichtjes. Ik was notabene bijna profvoetballer  geworden. Mijn vrienden begrepen er niks van. Die herkenden mij niet terug in de rol van gevoelige en enigszins sombere schrijver. Ze vonden mij op het veld stukken vrolijker.”

Ik zie het verleden met optimisme tegemoet.

Waarom heb je dan toch voor het schrijverschap gekozen?
“Ik denk dat mijn vader daar wel een beslissende rol in heeft gespeeld. Hij stond er op dat ik naar de middelbare school ging omdat het leren mij makkelijk afging. Daarna ben ik Nederlands gaan studeren en les gaan geven. Het leraarschap heb ik altijd leuk gevonden, maar ik ben helaas afgeknapt op het rigide systeem van de scholen. In mijn boek ‘De ziekte van Lodestein’ komt deze strijd ook duidelijk naar voren. Zodoende is het schrijven ontstaan. Overigens heb ik dat voetbalhart wel altijd gehouden. Zo heb ik in het deels betaalde jeugdvoetbal en later in het Nederlands studentenelftal gezeten. Achteraf bekeken ben ik blij dat ik er nooit mijn beroep van heb gemaakt. Op de voetbalwereld was ik zeker stuk gelopen. Het schrijven paste mij beter. Daar kon ik alles in kwijt.”

Waar vind je liefde?
“Mijn vrouw en grote liefde is helaas enige jaren geleden overleden en mijn twee zoons zijn allebei het huis uit. Gelukkig heb ik hier nog mijn trouwe metgezel, hond Edzo en uiteraard altijd mijn schrijven. Ook werk ik de laatste zeven jaar met hart en ziel in de wereld van de gevangenis en de gevangenen. Daar zochten ze destijds een leraar en aangezien ik door de ziekte van mijn vrouw wat meer thuis wilde zijn heb ik toen op dat baantje gesolliciteerd en het vervolgens gekregen. Ik heb een specifieke band met die wereld en haar bewoners - eigenlijk een soort liefdesbetrekking - en praat daar met weinig tot geen mensen over. Zoals zoveel echte zaken van het hart is dat namelijk een geheime liefde. Ik heb er ook veel steun ervaren in de tijd dat mij vrouw overleed. Want wanneer je in de rouw bent kan je maar beter niet in een feestartikelenzaak gaan werken. De bajes was – met al zijn aspecten – toch een hele stabiele en niet altijd vrolijke omgeving. Dat rijmde wel met mijn situatie. Vergeleken bij het leed van velen daar viel er met mijn leed nog wel te leven. Er zit daar veel dat me raakt en roert. Deze mensen hebben zoveel mee gemaakt, die kan je niet meer voor de gek te houden. Ze weten feilloos of iemand echt is of niet. In de onderwereld was dat immers een eigenschap waarop ze moesten overleven. Zonder alles en iedereen over één kam te willen scheren, heb ik er geleerd dat onze zogenaamde maatschappelijke normen niet kloppen. Dat de onderwereld nauwelijks te onderscheiden valt van de ‘normale’ wereld en dat er veel mensen ten onrechte gevangen zitten. Hun lot hing vaak samen van puur ongelukkige omstandigheden. Dan noemen we zo iemand ineens een moordenaar en zonderen we hem af. Hij wordt ineens een nummer in een archief. Deze mensen probeer ik een beetje bij te staan in hun eenzame weg. Ze begrijpen dat ik ook enigszins buiten de maatschappij sta om wat ik vind en niet vind. Omdat ik ze niet veroordeel en trouw aan ze ben, voelen ze zich veilig bij me. En ik heb ze lief. Als mijn jongens.”

Waar hoop je op?
 “Ik heb het niet zo met de hoop,  anders had ik wel Lévi Hoopvol geheten. Nee, zonder gekheid, met moed heb ik meer. Daar komt alles uit voort. Ik hoop daarom dan maar dat ik de moed vind om nog veel te schrijven en vooral de rust. Iemand noemde mij laatst Lévi Onrust. Ja, ik ben zeker onrustig maar ik wil vooral met rust gelaten worden. Om te kunnen doen wat ik moet doen. Niet voortdurend door allerlei instanties worden lastig gevallen. Anoniem zijn. Ondanks dat mijn boeken misschien blijven bestaan, is het mijn hoop om - zolang ik er zelf nog ben - een vergeetbaar bestaan te leiden.”

Voor informatie:
www.nijghenvanditmar.nl

tekst : Roxane Catz
fotografie :Mark Kohn