Jan Siebelink

Jan Siebelink (68) was leraar Frans aan het gymnasium en schreef daarnaast vele boeken. Elk boek was een stuk van de puzzel die in zijn laatste boek ‘Knielen op een bed violen’ eindelijk werd voltooid . “God is niet afwezig, hij is verborgen en ik kan het  slagveld nu overzien.”

Waar gelooft u in?
“In het raadsel. Het besef dat er meer is dan hetgeen we kunnen verklaren. Meer dan al ons consumeren en de vele keuzes die met dit consumptiegedrag gepaard gaan. Want soms heb je geen keuze. Dan is er sprake van hunkering en zijn er afgronden. Zowel naar beneden als naar boven. Naar het kwaad of naar het hemelse, het paradijs. Het blijft een mysterie. Daar gaat mijn laatste boek over. Iedereen die het raadsel van mij probeert af te nemen kan rekenen op mijn kritiek. Zoals die professor, gereformeerd VU hoogleraar, die zijn leven lang gepredikt heeft en - na intensieve studie en vele boeken verder – besluit dat God tóch niet bestaat en er geen eeuwig leven is. Natuurlijk mag iedereen een eigen mening hebben, maar ik vind dat deze man met zijn conclusie velen in de kou laat staan en geen verantwoordelijkheid neemt. Al zijn preken en gezang bleken ineens slagen in de lucht te zijn geweest. Hij voegt niets toe aan het tot nu toe onleverbare bewijs dat God wel of niet bestaat, maar hij neemt mensen wel wat af. Het geloof geeft mensen nu eenmaal kracht en steun. Alleen al het vermoeden van het mysterie is een bron van inspiratie. Alle symboliek en rituelen komen daaruit voort. En ook kunst. Hoeveel muziek, schilderijen en boeken zijn er niet door tot stand gekomen? Zo ook mijn eigen boeken.”

In uw laatste boek is het geloofsthema overduidelijk. In hoeverre is het uw eigen verhaal?
“In grote lijnen is het boek autobiografisch. Hans - de hoofdpersoon - staat  voor mijn vader. Net zoals Margje voor mijn moeder. Hans is kweker en wroet in de aarde.  Met extreme zorg en liefde plant hij viooltjes, madeliefjes in een ommuurde tuin, die hem als een kloosterling toebehoorde.  Op z’n knieën maakte hij er de mooiste en meest overzichtelijke rijtjes en voelde zich gelukkig. Maar tegelijk ook hunkerde hij naar het onzienlijke. Had er een onnaspeurlijke heimwee naar. Dit verklaarde wellicht zijn ongerijmde gedrag binnen ons gezin. Ik heb geprobeerd in zijn hoofd te kijken om een antwoord te vinden. Waarom de liefde en zijn overzichtelijke en gelukkige bestaan voor hem niet voldoende waren. Waarom hij het zichzelf en zijn dierbaren zo moeilijk maakte. Die onverklaarbare maar zo voelbare spanning heb ik met mijn boek getracht te doorgronden. De roman is een oprechte poging om dit te begrijpen, maar het is vooral een ode aan mijn ouders - een ode aan hun liefde die ik – door alle waanzin heen – tot op het einde toe heb willen beschermen. Als hun laatste liefdesverklaring.”

Alleen al het vermoeden van het mysterie is een bron van inspiratie. Iedereen die het raadsel van mij probeert af te nemen kan rekenen op mijn kritiek.

En hebt u het nu allemaal begrepen?
“Nee, het raadsel is alleen maar groter geworden. Of zoals de Fransen dat zo mooi zeggen; ‘Le mystère reste entier’ en daar heb ik vrede mee. Onder de roman ligt echter ook een vraag. Een vraag die niet wordt geëxpliciteerd, maar die wel van belang is. Want wat hebben mijn vaders fysieke en geestelijke gezwoeg hem uiteindelijk opgeleverd? Wat heeft zijn extreem gedachtegoed hem gebracht? Ik weet alleen maar dat we ons op het ergste moesten voorbereiden. Het zou zomaar slecht kunnen aflopen met de wereld, wist mijn vader ons voortdurend te vertellen. De God die hij aanbad was een God die mensen klem zette. Hans was een aardige, verwachtingsvolle  en fantasierijke man die zichzelf heeft verloren opdat God in hem kon komen. Hij moest steeds nietiger worden en dat gebeurde ook. Hij werd magerder en letterlijk ook minder en kleiner.

Uiteindelijk wilde hij zichzelf helemaal uitwissen. Dat ging niet gepaard met verrukking, maar met grote angst. Het meest gruwelijke moment vindt plaats op het einde van het boek wanneer Hans op sterven ligt. Zelfs dan nog ontwijkt hij Margjes blik, terwijl zij zich liefdevol over hem ontfermt. En ook wij mochten er niet bij zijn. Want volgens zijn geloof was hij werkelijk voor eeuwig verloren geweest wanneer hij op het moment van sterven in de ogen van een niet bekeerde had gekeken. Dan was alles voor niets geweest.”

Hoe is het met de liefde in uw eigen leven?

“Ik ben dit jaar éénenveertig jaar zeer gelukkig getrouwd. Ik besef me dat dit tegenwoordig meer uitzondering dan regel is. Nog steeds kijk ik met veel genoegen naar mijn vrouw. Ze blijft me verrassen en boeien. Daar kan niets tussenkomen. Ook deel ik veel liefde met mijn kinderen en kleinkinderen. En met mijn enige zoon ervaar ik dezelfde warme vriendschap zoals ik die met mijn  vader had. Een onuitgesproken, unieke en diepe band. Het heeft te maken met die sterke bloedband. Martinus Nijhof verwoordde het als geen ander met een zin in zijn gedicht. ‘Dat wie sterft eerst ziet hoe dieper het bloed is dan de hemel hoog.’ Een vreemde constructie van woorden, maar het is duidelijk.
Ook ben ik gek van mijn honden (whippets), de Franse taal en de wielrennersport. Deze sport heeft te maken met een bepaalde extase, een prestatie die boven de mens uitstijgt. Dezelfde extase die ik kan ervaren bij het schrijven. Het wielrennen is voor mij de metafoor voor het demarreren – het álles geven, het ‘goud’ vanuit het diepste van jezelf delven. Er is geen sport waarbij ik dat zo voel en waarbij de euforie en de tragiek zo dicht bij elkaar liggen.”

Waar hoopt u op?
“Waar mag ik nog op hopen met zo’n rijk leven? Het kind, de echtgenoot, de leraar, vader, grootvader en de schrijver. Dit alles vormt de mens die ik nu ben. Daarvoor ben ik intens dankbaar. Vooral naar mijn ouders, van wie ik buitengewoon veel gehouden heb. Ik hoop nog lange tijd het bewijs van hun liefde te zijn.”