Ursul de Geer

De meeste kennen hem als vakantieman in het programma  ‘T’is hier fantasties!’. Ursul de Geer (58) heeft niet alleen een aparte naam, hij is ook een aparte man. De op het eerste gezicht zo keurig ogende vijftiger leidt, ondanks het blauwe bloed dat door zijn aderen stroomt, niet bepaald het ‘comme-il-faut’ leven van iemand van zijn komaf. “Ik ben voortdurend op zoek naar wat mij en anderen beweegt en ben eigenlijk ook wel een beetje een moralist.”

Hij woont in een prachtig huis in Amsterdam Zuid, aan de rand van het Vondelpark. Ingericht, zoals van hem viel te verwachten, klassiek en met stijl. Opvallend gezellig ook voor een man die alleen woont. Klassieke muziek klinkt door alle vertrekken. We nemen plaats aan de tafel in zijn ruime keuken, waar hij een perfecte, zelf gemaakte cappucino serveert. Het schijnt hem allemaal prima te lukken, zo op zichzelf en dat beaamt hij ook. “Ik ben niet zo’n man die een vrouw nodig heeft om voor hem te zorgen. Dat gaat me prima af. Ik ben overigens wel dol op vrouwen, maar voor de liefde op lange termijn lijk ik tot op heden minder geschikt. Mijn twee dochters (Fleur en Jet, rc) zijn het belangrijkste wat ik heb en het mooiste in mijn leven. Ik geniet intens van hen.” Wanneer hij op zoek gaat naar foto’s, verschijnt hij even later met een reusachtige lade, waarin honderden foto’s als een ineengevallen kaartenhuis door elkaar liggen. “Ach ja, hier ben ik dan weer wat minder georganiseerd in,” verontschuldigt hij zich glimlachend. Het bewijsmateriaal van een heel leven in één lade heeft aan de andere kant ook wel iets overzichtelijks. Het werkt kennelijk ook nog, want binnen een mum van tijd vindt hij de eerste foto die hij zocht.... “Kijk, dit is ons gezin,” licht hij toe . “Mijn vader, moeder, mijn drie broers en mijn jongere zusje. Ik ben de op één na oudste en sta daar helemaal rechts.” Hij groeide op in Zeist, waar de familie de Geer een begrip was. Zijn grootvader, een gefortuneerd en enigszins feodale man, genoot daar al een bijzondere reputatie door zijn merkwaardige gedrag. “Hij was een enorme charmeur en weigerde bovendien zich neer te leggen bij bepaalde regels. Zo reed hij bijvoorbeeld altijd links van de weg, omdat ze dat in Engeland ook deden. Zich aanpassen aan dit soort regels was niet zijn sterkste kant. Ik heb hem helaas nooit gekend, maar zijn manier van denken en leven heeft me altijd aangesproken. Waarschijnlijk omdat ik er iets in herken.

Sherry met 7-up
Zo groeide hij op in dit beschermde nest, temidden van personeel en met alles keurig in het gareel. “Ondanks dat ik door buitenstaanders nog al eens werd behandeld als ‘het Prinsje van Zeist’, was soberheid troef bij ons thuis. Er was ook nauwelijks ruimte voor improvisatie. Weinig speelgoed of lekkere hapjes! Wanneer er vriendjes langs kwamen, bestookte mijn vader ze met intellectuele  vragen. Ze moesten hem dan vertellen wat ze van de besluiten vonden die er op het Concilie waren genomen door Johannes de XXIII of wat ze van de politiek dachten. Hij stond erop dat wij jongeren op de hoogte waren van het wereldse gebeuren. Veel vriendjes kwamen er dus nooit bij ons spelen. Ik mocht wel op muziekles, paardrijden of tennissen en natuurlijk eens per maand bij de Bonneterie in Amsterdam kleren kopen. Inmiddels had ik naast het paardriojden mijn hart verpand aan volleyballen. Hierdoor kwam ik met hele nieuwe en andere mensen in contact. Ik kwam veel over de vloer bij een gezellig gezin die twee Surinaamse jongens hadden opgenomen. In het weekend stond er een groot tafelbiljart en op het fornuis een grote pan soep. Daar werd ik verwend met broodjes met zelfgemaakt gehakt en op verjaardagen kregen we glaasjes sherry met 7-up! Het was een totaal nieuwe wereld voor me. Temidden van hen kwam een andere kant van me aan bod. De gezellige en ongecompliceerde kant.

Van rechts naar links
Naast sporten, speelde hij ook in toneelstukken die op het Christelijk Lyceum werden opgevoerd. “Toen ik ontdekte hoe leuk dat was, wist ik zeker dat ik naar de toneelschool wilde. Mijn vader vond dat helaas een minder goed idee. Hij vond dat toneel gewoon een leuke hobby moest blijven. Via wat omwegen ben ik uiteindelijk economie gaan studeren in Amsterdam. Daar kwam ik al snel bij het studententoneel terecht, onder de bezielende leiding van Peter Faber en Shireen Strooker. Het studententoneel had in die tijd de functie van de huidige kleine theatergroepen, namelijk het experimenteren met stukken. Dat was niet zomaar een avondje optreden voor wat vrienden en familie. Met sommige stukken reisden we soms wel dertig keer door het land.” Nadat de kruitdampen van actie tomaat waren opgetrokken, diende zich een nieuwe groep theatermakers aan en werd de functie van het studententoneel overbodig. Inmiddels was Ursul ook gaan regisseren. Hij merkte al gauw dat dit hem vele malen beter afging dan spelen. Hij werd zo in beslag genomen door het toneel, dat hij met zijn studie economie nooit verder is gekomen dan zijn kandidaats. Inmiddels was hij zich ook gaan verdiepen in het linkse gedachtegoed en las de boeken van Marx. “Ik was jong, zoekend en beïnvloedbaar,” zegt hij daarover. “Ik weet nog goed dat ik Bram van der Vlugt zag lopen met zo’n Indiase sjaal om z’n nek die hij had ingeruild voor z’n das. Dat vond ik geweldig! Zelf durfde ik daar niet mee aan te komen. Totdat ik daarmee toch op een dag naar mijn ouders ben gegaan. Zij waren oprecht verbaasd, maar niet eens zo geschokt. Later wel, toen ik me in alle opzichten steeds meer ging profileren en rondliep in t-shirts met kettingen, oorbellen  en lange haren. Dat leidde tot enorme discussies, vooral met mijn vader. Tegelijk voelde ik dat hij me ergens diep in zijn hart wel begreep. Hij herkende ook dingen in mij. Door dit eeuwige discours, hadden wij met name een intellectuele band. Daar is de afgelopen drie jaar, na de dood van mijn moeder, veel meer oprechte interesse en liefde bijgekomen. Mijn vader is nog messcherp van geest en we voeren intensieve gesprekken, maar die gaan nu veel meer over wezenlijke dingen, zoals geloof en het leven. Het gaat meer over ons. We leggen onze levens nu naast elkaar. Dit persoonlijke contact had ik nog nooit met hem ervaren. Wanneer een mens ‘voor de poort’ staat, worden andere zaken toch belangrijker.”

Verkeerde kamertje
Hij zong inmiddels in ‘De Samenwerking’, een Marxisitisch koortje dat protestliederen ten gehore bracht en belandde bij het politieke toneelgezelschap ‘De Nieuwe Komedie’. In die tijd regisseerde hij zijn eerst professionele stuk ‘Een lange nacht’, van de Chileense schrijver Jorge Diaz, wat een groot succes werd. Dit succes wekte weerstand op bij het gezelschap. Zijn invloed als regisseur werd als bedreigend ervaren. “Ik kwam er steeds meer achter hoe al die linkse groeperingen elkaar de hersens insloegen en raakte gedesullisioneerd. Teleurgesteld besloot hij voor een half jaar naar Amerika te vertrekken. “Door een toneelworkshop die ik daar volgde, kwam ik er achter dat heel veel ideëen in mijn hoofd zaten en niet in mijn hart. Ik bemerkte hoezeer ik de afgelopen jaren vanuit mijn hoofd had geleefd. Hoe ver ik was verwijderd van mijn echte gevoel en verlangens. Toen ben ik al die dingen weer gaan doen die ik leuk vond, maar die in mijn Marxistische periode absoluut not done waren. Ik luisterde weer naar Herman van Veen en Chopin spelen, kocht een driedelig, weliswaar corduroy, pak en blies het stof van m’n golfclubs om er weer mee te gaan spelen.  Weer enige tijd terug op Nederlandse bodem, regisseerde hij één van zijn mooiste stukken ‘Rosa vertrekt’. ‘De misdaden van Vautrin’, een toneelbewerkling van twee romans van Balzac volgde daarna en werd zo’n succes dat hij het idee kreeg om er een televisie-serie van te gaan maken. Bij de NCRV belandde hij per toeval in het verkeerde kamertje. Hier was men op zoek naar ‘nieuwe gezichten’ en zo kreeg hij ineens de kans om een eigen talkshow te gaan presenteren. Ondanks dat dit voorstel hem overviel, leek het hem ook wel wat. Na een proef-interview met Berend Boudewijn werd hij goed bevonden. Dat was het begin van zijn televisiecarrière, eerst bij de NCRV en later bij RTL 4. De meeste bekenheid verwierf hij met zijn zelf bedachte programma ‘T’is hier fantasties!’, waarin hij hilarische vakantiesituaties van mensen belicht. Inmiddels heeft hij zich ook weer tot het toneel gewend. Zijn regie van het stuk ‘Gloed’ naar een roman van de Hongaarse Sándor Marái, behaalde lovende kritieken. Op dit moment is de Geer bezig met diverse plannen voor theater en televisie. Daarnaast schrijft hij een boek over zijn belevenissen tijdens ‘T’is hier fanatastisch!’. Hij hoopt Gloed nog eens op buitenlandse podia te krijgen en zijn grootste droom is het regisseren van een opera. “Het zijn misschien geen dingen die direct het meeste geld opleveren. Geld is nooit mijn drijfveer geweest. Ik wil alleen maar dingen aanpakken waarvan ik het gevoel heb dat ze de moeite waard zijn. Voor mezelf en voor anderen.”